INTERVIEW | Jaap Strikwerda uit Dearsum, een leven lang Fûgeltsjeman
DEARSUM - Aan het einde van het gesprek zegt Jaap Strikwerda, geboren Leeuwarder, getogen Sneker en nu alweer jaren wonend onder Dearsum op een fraai ‘spultsje’: “Eigenlijk had ik wel boswachter willen worden of leraar biologie.” Het werd een leven lang docent, tegenwoordig op het Bogerman College in Sneek. Een portret van een op en top Fûgeltsjeman.

Jaap Strikwerda, wordt op 6 februari 1962 in het ziekenhuis van Leeuwarden, zoon van Anne Strikwerda en Jacoba(Koos) Veenstra. Echtgenoot van Gelland de Jong. Heit van Anne Jaap, Roelof en Marlycke. Daar in de buurt van Dearsum heeft de familie Strikwerda een formidabel mooi uitzicht over de Lege Geaën, een paradijs gelijk. “Maar het zijn zo langzamerhand wel lege weilanden geworden, er zitten geen vogels meer”, relativeert Strikwerda meteen. We zullen er later in het gesprek nog op terugkomen.
Jaap Strikwerda ging in Sneek naar school. Eerst naar de Eben Haëzer en de Simon Havingaschool. Vervolgens naar het Bogerman en daarna naar de Pedagogische Academie De Him die toen nog in Sneek aan de Hemdijk 47 gevestigd was.
‘Altyd in’t feld’
Met een “ik was un jonkje dat altyd in’t feld was”, geeft Jaap kort en krachtig in het Snekers antwoord op de vraag wat voor kind hij was. “Als stadsjongen was ik hoe vreemd het ook klinkt, altijd op de boerderij te vinden. Dat was natuurlijk niet zo ver weg van de Stadsfenne waar ik opgroeide. Eigenlijk een gek verhaal hoe ik daar terecht kwam. We waren op een woensdagmiddag aan het polsstokspringen, in het weiland van boer Rinse de Jager bij Offingawier. Ik vond dat prachtig en toen Rinse zei dat we ook wel op de boerderij mochten komen, deed ik dat. Tot mijn zeventiende heb ik daar vervolgens altijd wat ‘omspaand’, ik werd er kind aan huis. Ik leerde heel veel over het platteland zoals dat er in de zeventiger jaren nog was. Ik leerde er het melken en alle voorkomende werkzaamheden, ik vond het prachtig!”
Helemaal vreemd was de connectie met het melkveehoudersbedrijf van De Jager ook weer niet, want Jaaps vader zat in de fouragehandel en later werd Strikwerda senior directeur van De Melkweg. Mem Koos kwam uit Heeg, een dochter van een transportondernemer, tegenwoordig deel uitmakend van Fritom Heeg. In die zin was de link er met het platteland.
Vlieg vlugge jonge vogels
Zo lang Jaap zich kan herinneren was hij al heel lang geïnteresseerd in weidevogels en als het voorjaar werd was hij in het weiland te vinden. “Op mijn manier zocht ik al heel vroeg naar kievitseieren, dat leer je niet in een dag, en ik mocht ooit het eerste eitje van de gemeente aanbieden aan de burgemeester van Sneek. Inderdaad heel lang geleden.”
![]()
Uiteraard werd de jonge Jaap lid van de Sneker vogelwacht en al op jonge leeftijd ging hij met de bekende Han Westhof te vogelringen, Visdiefjes op de Zwarte en Witte Brekken. Jaap weet nog precies hoe dat ging. “Han was wel wat een einzelgänger, maar als hij ging ringen zei hij altijd ‘jonges ik gaan te fogelringen en ik mut even un paar hardlopers met hewwe’. Wij mochten dan de niet vlieg vlugge jonge vogels pakken, die we in emmers bij Westhof brachten. Zo is het allemaal begonnen.”
Na de middelbare school, waar hij zijn havodiploma haalt op het Bogerman, gaat Jaap Strikwerda naar de Pedagogische Academie De Him aan de Hemdijk. Nadat Bogerman biologiedocente Hoekstra-Zaagemans Jaap z’n interesse voor de natuur al had weten te wekken, zijn het de bekende biologieleraren D.T.E. van der Ploeg en Jan Schulp die hem nog enthousiaster maken voor alles wat groeit en bloeit.
Bij Van der Ploeg stimuleert Jaap z’n tekentalent van plantjes, iets wat de bevlogen biologiedocent en plantenkenner ook belangrijk vond. Jaap wordt nog meer veld- en ‘fûgeltsjeman’ dan hij al was. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat hij al op 25-jarige leeftijd in het hoofdbestuur van Bond van Friese Vogelwachten komt. Als hij terug kijkt op die periode, dan noemt hij dat een fantastische tijd, maar hij ziet dan ook al de grote veranderingen in het veld.
‘Eieren zoeken terecht afgeschaft’
“Ik werd betrokken bij de werkgroep Ras-project ‘Ljip’, we vingen kieviten om te ringen. De letters RAS staan voor Retrapping Adults for Survival. Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de levenswijze van kieviten, niet alleen in het broedseizoen, maar ook daarbuiten. Ik had een heel groot wachtgebied bij Offingawier, dat stampvol met kieviten en grutto’s zat. Ik heb het dan over de tachtiger jaren in de vorige eeuw. We zaten in de overgang van de grupstal naar de ligboxstal. De veeteelt was nog niet intensief. Ik kon vogels vangen met een klapnetje en die ringde ik dan en hoopte de kieviten volgend jaar weer te vangen.
Maar het ging toen in een keer zo snel met de weidevogelstand naar beneden, dat het helemaal niet meer nodig was om te vangen, want er waren in een tijd van vijf jaar geen vogels meer. Het zoeken naar kievietseieren raakte ook meer en meer in discussie. Je moest een kaart hebben om eieren te mogen zoeken, daar was ik als hoofdbestuurslid van de Friese Vogelwachten helemaal niet zo voor. Ik was een jongen van het vrije veld, maar op laatst was dat helemaal niet meer houdbaar en kon je ook niet meer eieren zoeken, het werd afgeschaft. En dat was ook terecht.”
De nodige onderwijsaktes
Na het behalen van zijn diploma volledig bevoegd onderwijzer gaat Jaap ook daadwerkelijk in het onderwijs in. En wel naar het W.G. Baardacollege, op voorspraak van ‘A.J. Dijkstra’, docent maar ook voetbalman. Jaap voetbalde in die tijd bij O.N.S. Sneek en zo was er al snel contact. Hij solliciteerde en kreeg een baan. Hij gaf er Nederlands, handelscorrespondentie en handvaardigheid.
Het voldeed hem best en er werden de nodige onderwijsaktes behaald, waaronder een biologieakte. Toen de fusies kwamen ging de Baarda College afdeling waar hij werkte over naar het Bogerman, waar hij toen ook al gedetacheerd was. Tot op de dag van vandaag werkt hij daar. Inmiddels is dat alweer bijna veertig jaar.
![]()
“Wat ik mooi aan biologieonderwijs vind, is dat kinderen weten welke bomen er in hun omgeving groeien, welke vogels er vliegen. Heemkunde! Zoek het dichtbij, dan krijg je veel meer liefde en waardering voor je eigen omgeving. Daar ben ik nog altijd mee bezig. Maak het aanschouwelijk en trek er op uit. Ik doe nog ganzen- en vogeltjesexcursies, omdat ik dat zelf ook leuk vind.”
Wilsterflappen
‘Wilsters’, is Friese volksnaam voor goudplevieren en flappen staat voor de vangmethode om de vogels vervolgens te ringen. Het is de passie van Jaap Strikwerda, waar hij zeer enthousiast over kan vertellen.
“Ik kwam voor het al eerder genoemde RAS-project in aanraking met het wilsterflappen, omdat ik daarvoor stage lopen moest bij een wilsterflapper. Meteen na de eerste keer zei ik al tegen mijn moeder dat ik dat ook wilde, wilsterflapper worden. Mem vertelde toen dat een oom van haar ook wilsterflapper was geweest en dat al de benodigdheden bij een neef van haar op zolder lagen. Ik kon het mee krijgen en heb vervolgens mijn vergunningen gehaald om officieel wilsterflapper te worden.
Dat deed ik bij Joop Jukema, een bekende autodidact in de vogelwereld, Piet Vlas en Douwe van der Zee. Zo rolde ik 25 jaar geleden in die wereld van het ringonderzoek en kwam in contact met bioloog Theunis Piersma, hoogleraar Trekvogelecologie, die mij heel veel leerde. Wilsterflappen heeft iets mysterieus, een eigen wereld met bijzondere mensen. Over wilsterflappers wordt gezegd dat ze ‘in tear (=rimpel) yn’e nekke hewwe’. Omdat ze altijd naar de lucht staarden of er ook vogels aankwamen. Ze zaten verscholen achter ‘zeiltjes’, duister allemaal. Als dan de mist optrekt en de flapper komt tevoorschijn vanachter ‘de skûle’. Ja, dat is wel spannend! Ik zit er vaak van ’s morgens zeven uur tot ’s middags vijf uur. Heerlijk vind ik dat, die rust om mij heen.”
Rosse grutto’s in Mauritanië
Vroeger werden de goudplevieren gevangen ‘om den brode’, nu staat het wilsterflappen helemaal in dienst van de wetenschap. Het bracht Jaap Strikwerda uiteindelijk overal in de wereld. Dat begon met het onderzoek over de trek van rosse grutto’s. Deze vogelsoort zijn in twee groepen te verdelen, een gedeelte overwintert in het Waddengebied en een andere groep doet dat in Mauritanië.
![]()
“Onderzoekers die betrokken zijn bij de rosse grutto’s komen overal uit de wereld vandaan naar het Waddengebied. Maar zo ben ik in 2007 op excursie in Mauritanië geweest, om in feite de vogels achterna te reizen. Die excursie duurde vijf weken, prachtig. Vogels tellen, ringen met behulp van telelenzen aflezen, maar ook vangen. Onvergetelijk vond ik dat. Ik zat op een gegeven moment bij de locals aan tafel. Wel met de goede hand eten trouwens.”
Twee voor twaalf
Na ruim een uur praten geeft Jaap aan waarom hij nog altijd het veld in gaat om bezig te zijn met het ringonderzoek. “Mensen met feiten confronteren, dat het zo niet goed komt met de natuur. Maar niet alleen met drammerige negatieve verhalen, ook perspectief bieden. Ik ben er van overtuigd dat de natuur zich ook kan herstellen, maar daar moeten wij wel aan willen meehelpen. Het is nog steeds niet te laat, maar wel twee voor twaalf.”
Tekst: Henk van der Veer
Foto’s: Laura Keizer Fotografie















