Face to face met Schrijver Flip van Doorn: “Ik ben een zwerver, maar in Friesland kan ik vrijuit ademen”
Wie Flip van Doorn ontmoet, ontmoet een schrijver die luistert voordat hij schrijft. Niet alleen geïnteresseerd in jaartallen en archieven, maar vooral in de mens achter de geschiedenis. Sinds zestien jaar woont Van Doorn in IJlst. Een geboren Fries is hij niet, maar Friesland loopt als een diepe lijn door zijn leven.

Met zijn bestseller De Friezen raakte hij een gevoelige snaar: inmiddels zijn er 26.000 exemplaren van verkocht. Onlangs verscheen Zeeland, waarin hij opnieuw zoekt naar identiteit en familiegeschiedenis.
Flip van Doorn werd geboren op 30 oktober 1967 in Zeist, als zoon van Joop van Doorn, officier bij de Koninklijke Landmacht, en Sofie van Doorn - Rintjema. Hij groeide op in Kortenhoef, in het Gooi, samen met zijn jongere broer. Zijn vader was door zijn werk veel van huis. “Die werkte sowieso vijf dagen in de week en dan ging hij naar de kazerne.”
Toch kijkt Van Doorn met warmte terug op zijn jeugd. “Ik ben heel liefdevol opgegroeid”, vertelt hij. Zijn ouders lieten hem vrij. “Ik heb altijd heel erg mijn eigen gang kunnen gaan.” Die vrijheid past bij hem. Van Doorn noemt zichzelf ‘een zwerver’. “Het thema van mijn leven is vrijheid. Ik moet vrij kunnen bewegen. Ik moet me niet belemmerd of gebonden voelen.” Juist daarom fascineert het hem dat anderen zich wél diep verbonden voelen met een dorp, stad of streek.
De taal van pake
De basis voor zijn schrijverschap werd vroeg gelegd. Door zijn Friese pake: Roelof Rintjema, onderwijzer uit Dokkum. “Hij was een hele lieve opa, maar hij was ook echt een onderwijzer.” Nog voordat Flip naar de basisschool ging, kreeg hij van hem leesboekjes. Later stuurde zijn pake hem per post huiswerk: grammatica, zinsontleding, taaloefeningen. Flip maakte het en stuurde het terug. “Hij heeft daarmee een hele stevige basis gelegd voor mijn taalvaardigheid. Maar hij heeft me ook de lol in het schrijven bijgebracht.” Diezelfde pake nam hem en zijn broer mee naar Friesland, naar zijn geboortehuis, het Fries Museum en verhalen over Grutte Pier. “Mijn opa was een trotse Fries. Hij kon fantastisch vertellen.”
Dat persoonlijke spoor loopt rechtstreeks naar De Friezen. Van Doorn schreef het boek vanuit nieuwsgierigheid. Wie zijn die Friezen? En wat is zijn eigen verhouding tot hen? “Een kwart van mijn voorouders is uit die Friese klei getrokken”, zegt hij. Zijn pake werd geboren in Dokkum; daar ligt een groot deel van die familielijn.
Tussen binnen en buiten
Toch is Van Doorn ook buitenstaander. Hij groeide niet op in Friesland en kwam hier pas later wonen. Juist dat maakte zijn positie interessant. “Voor het schrijven van De Friezen was dat heel fijn. Om te kunnen schakelen tussen die twee: het ene moment van binnenuit, toch een kwart Fries en wonend in Friesland, en aan de andere kant die afstand van degene die het bekijkt.”
Voelt Friesland inmiddels als thuis? Voor zijn werk moet hij vaak naar Amsterdam. Maar telkens als hij terugkomt naar Friesland, voelt hij ruimte. “Ik ben altijd blij als ik terug deze kant op kom. Het benauwt me daar. Hier gaat het landschap open, er komt ruimte, er komt lucht. Hier kan ik vrijuit ademen.”
Toch noemt hij zichzelf niet zomaar Fries. “Ik weet ook niet of ik er al ben.” Juist die spanning vormt zijn blik op Friesland. Van buiten lijkt het één geheel: één provincie, één vlag, één taal. Maar wie beter kijkt, ziet verschillen. “Als je erin zit, zie je: het is heel divers. Je kunt ergens Fries leren en twee dorpen verderop spreken ze iets heel anders. Sneekers is niet eens Fries. Hindeloopen heeft een heel eigen variant.”
Volgens Van Doorn is de Friese identiteit sterk, maar vaak vooral plaatsgebonden: mensen voelen zich vooral Sneker, IJlster, Balkster of inwoner van hun eigen dorp.
Sneek, IJlst en de doerebout
Ook Sneek bekijkt hij met die blik. Vanuit IJlst zegt hij eerlijk dat hij Sneek niet volledig doorgrondt. “Als IJlster sta ik daar buiten.” Maar hij ziet hoe sterk Snekers verbonden zijn met hun stad. “De Snekers hebben heel erg een verbondenheid met hun stad en met elkaar.” Hij noemt Sneek en de dorpen eromheen “kleine microkosmosjes”.
Taal is misschien wel de gevoeligste laag. Van Doorn spreekt geen vloeiend Fries, maar verstaat het goed. “Ik heb meteen toen ik hier kwam die cursus van de Afûk genomen.” Maar zodra hij Fries sprak, werd hij gecorrigeerd. “Je spreekt geef Fries, en dat spreken alleen nieuwkomers.”
Een veelzeggende anekdote is die van de doerebout, het Sneker woord voor rietsigaar. Voor Trouw schreef hij ooit over de Alde Feanen. Hij had van een Sneker geleerd dat rietsigaren ‘doerebouten’ werden genoemd en gebruikte dat woord. De volgende dag kwam er een ingezonden reactie: dat was geen Fries, het moest anders. Toen pakte Van Doorn zijn Friese woordenboek erbij. “En toen zag ik dat er in het Fries wel twintig woorden zijn voor een rietsigaar.”
Later gebruikte hij die anekdote vaak bij lezingen. Op een gegeven moment kon hij aan het woord dat iemand voor rietsigaar gebruikte ongeveer afleiden waar in Friesland diens roots lagen. “Ik vind de Friese taal een geschenk”, zegt hij. “Alleen in mijn familielijn ben ik het ergens verloren.”
Een reactie die hem raakte
Met De Friezen hield Van Doorn de Friezen ook een spiegel voor. Soms liefdevol, soms tegendraads. Hij is geïnteresseerd in mythes, maar ook in het ontmantelen ervan. “Ik heb vaak de neiging om te demythologiseren, om die mythe weer af te breken. En daar zijn ze gemiddeld niet zo gek op.”
Tijdens zijn onderzoek merkte hij dat deuren opengingen. Bij Tresoar werd hij ruimhartig geholpen. “Overal waar ik kwam aankloppen, wilden Friezen heel graag hun verhaal vertellen.” Juist die gesprekken vormen de rijkdom van zijn werk.
De reacties op De Friezen kwamen soms van ver: uit New York, uit Nieuw-Zeeland, van Friezen om utens. Maar één reactie raakte hem het meest. In de trein vanuit Zwolle raakte hij aan de praat met een blinde man. De man vroeg wat hij deed. “Ik zei: ik ben schrijver. Hij vroeg: zou ik u kunnen kennen? Ik zei: De Friezen kent u misschien. Toen zei hij: ben jij Flip van Doorn?”
De man bleek opgegroeid in Leeuwarden en was rond zijn achttiende blind geworden. Iemand had hem De Friezen voorgelezen. In het eerste hoofdstuk wandelt Van Doorn door oud-Leeuwarden. De man zei: “Het was alsof ik weer kon zien. Je noemde al die plekken waar ik vroeger speelde.” Van Doorn is er nog steeds stil van. “Dat bedenk je niet als je een boek schrijft. Dat deed me echt wat.”
Zeeland en de lagen onder het landschap
Na Friesland kwam Zeeland. Van Doorn wilde geen herhaling maken van De Friezen. “Ik heb heel erg mijn best gedaan om ze niet op elkaar te laten lijken. Ik wilde niet een trucje toepassen.” Toch zijn er overeenkomsten. “De grote overeenkomst is: beiden hebben een sterke relatie met water.”
Zijn band met Zeeland moest hij meer ontdekken. Via zijn overgrootvader kwam hij terecht in Zierikzee, waar zijn familie uit een oud regentengeslacht bleek te stammen. “Ik kan nu zes panden aanwijzen waar voorouders hebben gewoond.” Maar die geschiedenis bracht ook ongemakkelijke ontdekkingen, zoals een verre voorouder die kapitein was op een slavenschip. Bij een herdenking van het slavernijverleden kwam dat hard binnen. “Hoe kon je? Het is zeven generaties voor me. Ik voel me daar persoonlijk niet verantwoordelijk voor, maar het idee… hoe kon je?”
Schrijven is voor Van Doorn nooit alleen reconstrueren. Het is ook voelen. Voor Zeeland fietste hij de Schelde af, vanaf de bron in Noord-Frankrijk. “Als ik Zeeland wil begrijpen, moet ik de Schelde begrijpen.” Want schrijven vraagt nabijheid: “Je kunt niet over een plek schrijven zonder er zelf geweest te zijn. Ik moet het voelen.”
Thuis in IJlst deelt hij zijn leven met Mirjam Krop, die opgroeide in Bolsward. Samen kregen zij een dochter en twee zoons. De kinderen wonen inmiddels buiten Friesland. Hun jongste zoon deed dit jaar examen op het Bogerman in Sneek en gaat naar het conservatorium in Utrecht.
Wat Flip van Doorn schrijft, begint steeds bij nieuwsgierigheid: bij archieven, plekken, gesprekken en toevallige ontmoetingen. Uiteindelijk schrijft hij over waar mensen vandaan komen, hoe ze zich verhouden tot een plek en hoe geschiedenis doorwerkt in het heden.
Zelf blijft hij misschien altijd een beetje onderweg. Een zwerver, zoals hij zegt. Maar wel een zwerver die in Friesland de ruimte vindt.
Tekst: Henk van der Veer
Foto: Laura Keizer Fotografie








