BOLSWARD - Wiebe Tolsma (86) rijdt de Fietselfstedentocht dit jaar voor de 65e keer. Zíjn jubileum. En net als bij zijn andere jubileumtochten fietst hij de tocht dan weer op een opvallende manier. Niet in een wielertenue op een race- of toerfiets, maar op een weduwe en in jacquet. Een idee, geboren uit... irritatie.
We hadden voor dit interview met Wiebe Tolsma bedacht, dat het wellicht leuk zou zijn om ter illustratie foto’s te maken met zijn fiets. En dan het liefst in Bolsward, op een speciale plaats. “Dan kom ik daar wel naartoe”, was zijn nuchtere reactie op dit idee. Maar er staat die dag een koude wind waardoor we toch maar binnen hebben afgesproken, in de markante Broerekerk in Bolsward die voor beschutting zorgt. Hij komt wél op de fiets, vanuit zijn woonplaats Franeker. Natuurlijk, zouden we bijna zeggen want dit vervoermiddel loopt als een rode draad door het leven van Wiebe Tolsma.
Op de fiets van vader en in zondagse kleren
“Ik was een jaar of twaalf toen de Fietselfstedentocht kwam”, begint Tolsma zijn verhaal. “Langs ons dorp, op twee kilometer ten zuiden over een driesprong. Daar liep ik jarenlang naartoe, van de eerste fietser die ’s morgens langskwam tot de laatste. Urenlang stond ik met open mond te kijken. Ik wilde meedoen, maar de minimum leeftijd was achttien jaar.”
Zo veel geduld had de jonge Wiebe niet. “Ik heb tot mijn zeventiende gewacht, ik was flink uit de kluiten en er was geen controle met paspoorten of identiteitsbewijs. In die tijd kon je ’s morgens gewoon naar Bolsward fietsen, er waren maar een paar honderd deelnemers. Je meldde je zo rond half zeven, kwart voor zeven bij een tafeltje, daar zaten vier bestuursleden, je noemde je naam, je betaalde een gulden en om zeven uur ging je van start. Vóór het stadhuis. Ik was ’s avonds acht uur binnen. Op de fiets van mijn vader.”
Dat klinkt eenvoudig maar dat was het niet. ”Mijn vader had net een nieuwe Union-fiets gekocht, een zwarte, op afbetaling. Hij wilde hem niet aan me uitlenen, een flinke teleurstelling. De zaterdag voor Pinksteren dacht ik: ‘Ik vraag het nog één keer’. En toen mocht het. ‘Op één voorwaarde’ zei hij, ‘je doet je zondagse kleren aan, want je gaat de hele provincie door.’ Ik had een terlenka broek, colbertjasje, stropdas en een wit overhemd en zo ben ik op mijn eerste Fietselfstedentocht van start gegaan. Met in een geleende fietstas van de buurman een broodtrommeltje en een fles Exota.”
Op de weduwe en in jacquet
“Van al die keren was de eerste de aller zwaarste. Je had amateurs op racefietsen, daar wilde ik als jongen van zeventien jaar achteraan, natuurlijk. Maar ik lag bij Dokkum al in de berm, uitgeteld. Toen heb ik mijn verstand gebruikt en ben op mijn eigen tempo verder gegaan. Ik heb driekwart van de tocht alleen gereden.
Ik wil niet als een oud mannetje rondfietsen dat de mensen zeggen: ‘Zou die het halen?’ Die stempel wil ik niet hebben
Van het geld dat ik verdiende in de vakanties, kocht ik een toerfiets en ik heb later, toen ik een baan had, een racefiets gekocht. Toen kreeg je soms van die smadelijke opmerkingen van andere deelnemers, die op een gewone fiets fietsten: ‘Zo kan ik het ook’. Dat irriteerde mij een beetje. Dus bij de tiende keer heb ik weer op de zwarte Union van mijn vader de tocht gefietst. Zo is dat gaan rollen. Bij de twintigste keer moest ik weer wat bedenken en toen ben ik op een weduwe gegaan, in jacquet. En dat doe ik dit jaar bij mijn 65ste keer ook.”
Op een dertig jaar oude bakkersfiets
Wiebe Tolsma fietst zijn jubileumtochten altijd op een bijzondere manier. Bij zijn dertigste tocht fietste hij op een bakkersfiets. “Iemand bij ons in het dorp had een bakkersfiets van dertig jaar oud. Die heb ik geleend, met zo’n korf voorop, en daar de proviand in.”
Zijn hele leven is de fiets belangrijk geweest voor Wiebe Tolsma. “Toen ik op de ulo in Franeker zat, moest ik op de fiets want de busverbindingen waren niet al te goed. En daarna bij de Leeuwarder Papierwarenfabriek waar ik werkte, ging ik eerst vanuit Firdgum en later toen ik getrouwd was vanuit Franeker elke keer op de fiets. Achttien kilometer heen, achttien kilometer terug.” Soms bij nacht en ontij, want Tolsma werkte in de drieploegendienst, waarbij het voorkwam dat het ook hard kon waaien. “Het zit in de genen denk ik. Mijn natuur zei dat ik dat moest doen. Ik rekende een uur, bij harde wind een half uur langer.”
Een rondje van 110 vooraf
De Fietselfstedentocht is niet de enige tocht, die Tolsma rijdt. Hij rijdt er meerdere. In zijn topjaren fietste hij 2.800 kilometer per jaar. Het naar en van zijn werk fietsen niet meegerekend. “Een week of twee weken voor Pinksteren doe ik een rondje van 110 kilometer. Ongeveer de helft. Dat is mijn graadmeter. Als het helemaal niet wil, dan is het einde oefening. Ook voor deze 65ste keer. Maar daar ga ik niet van uit”, haast hij zich te zeggen. “Ik wil niet als een oud mannetje rondfietsen dat de mensen zeggen: ‘Zou die het halen?’ Die stempel wil ik niet hebben”, gooit hij ongewild een woordgrap over tafel.
![]()






